Rasstandaard

De rasstandaard van de Nederlandse Boergeit.

De rasstandaard van de Nederlandse Boergeit is afgeleid van de rasstandaard zoals opgesteld in het land van herkomst, Zuid Afrika. Sinds vele jaren is deze standaard geëvolueerd tot een, die het ras steeds opnieuw heeft verbeterd in haar gebruikseigenschap voor vleesproductie. De Zuid Afrikaanse Boergeit wordt door experts over de hele wereld erkend als een superieure vleesproducerende geit. Drie selectiecriteria hebben hiertoe bijgedragen:

  1. Het is een middelgrote geit;
  2. De geit heeft een hoge karkasopbrengst;
  3. Er bestaat een grote uniformiteit in exterieur.

De grote uniformiteit, komt niet alleen naar voren in de kleuraftekening, maar ook in het uniforme formaat en hoge karkasopbrengst.

De Nederlandse rasstandaard is vastgesteld door de fokcommissie Nederlandse Boergeit (FNB) in de vergadering van 16 juni 2004.

Geschiedenis van het ras.

Het ras is ontstaan door natuurlijke selectie die toegepast is door de fokkers in Zuid Afrika onder vaak stressvolle omstandigheden in de Afrikaanse omgeving. Strenge selectie op onderdelen die commercieel het meest aantrekkelijk waren, hebben geleid tot het ontstaan van dit superieure ras.

In het Zuid Afrikaanse stamboek, dat werd opgericht in 1959, werd vroeger gesproken over vijf types boerbokken:

  1. De gewone boerbok. Dit is een dier met goede vleeseigenschappen, met kort haar en een variatie in aftekening, waaronder bruingestreepte, grijze en donkerbruin – bonte. Normaal gesproken hebben de dieren een bruine kop en hals;
  2. De langharige boerbok. Dit is een laatrijpe geit, die naar zeggen een wat grove vleesstructuur heeft. Ook de waarde van de huid neemt af door langer haar, waarmee dit type als ongewenst werd beschouwd;
  3. De bonte boerbok. Deze geit is ongehoornd en heeft een ongewenste bouw;
  4. De inlandse boerbok. Deze geit is hoogbenig en is wisselend van bouw en kleuraftekening. In deze lijn heeft nooit erg veel fokkerij plaatsgevonden;
  5. De verbeterde boerbok. De kenmerken die hier van belang zijn, zijn een goede bouw, hoge groeisnelheid, grote vruchtbaarheid, grote uniformiteit in kleur en bouw en een groot aanpassingsvermogen aan verschillende leefomgevingen.

Dit laatste type vormt de basis van de ons bekende boergeit. In Zuid Afrika werd geen afstamming bijgehouden, maar ieder dier werd beoordeeld op zijn individuele kwaliteiten door getrainde inspecteurs. De boergeit kunnen we omschrijven als een snelgroeiende, goed geproportioneerde geit van evenredige afmeting, met een goede productie-eigenschap van eersteklas vlees. Er moet op alle leeftijden een goede verhouding zijn tussen de lengte van de benen en de diepte van de romp, waarbij lammeren en jonge geiten in verhouding iets hoogbeniger zullen zijn.

Maten en gewichten.

Als gewenste maatvoering voor de schofthoogte is aan te houden:

  • Voor geiten op 3 jarige leeftijd 70 cm ;
  • Voor de bokken op 3 jarige leeftijd minimaal 80 cm.

Deze maten zullen getoetst worden tijdens de inspecties en zo nodig worden bijgesteld;

Als gewenst gewicht is aan te houden:

  • Voor geiten op 3 jarige leeftijd 70 kg
  • Voor bokken op 3 jarige leeftijd 100 kg.

Deze gewichten zullen getoetst worden tijdens inspecties en zo nodig worden bijgesteld.

Bespreking in onderdelen

Kop en hals

De boergeit heeft een in het oog vallende, sterke kop met bruine ogen en een vriendelijk voorkomen. Het neusprofiel is enigszins gebogen met wijde neusvleugels. De kaken moeten goed tegenover elkaar staan, zodat tot 1 ½-jarige leeftijd geen overbeet bestaat. Vanaf het doorbreken van de blijvende snijtanden (op een leeftijd van 1 ½ tot 2 jaar) mag er een overbeet bestaan van ongeveer 6 mm. Op het enigszins vooruitstekend voorhoofd staan twee sterke, donkergekleurde hoorns van gemiddelde lengte, die goed uit elkaar staan, waarbij ze eerst recht naar achteren groeien alvorens symmetrisch naar buiten te groeien. Hoewel onthoornen niet leidt tot uitsluiting, wordt het wel afgeraden. In zijaanzicht vormt de kop vanaf de neus tot en met de horens een halve cirkel.

Pentekening van een kop met mooi profiel: de bok Tarzan (E: Fred Homeyer)

De brede, middenlange, vloeiend hangende oren mogen niet te kort zijn. De hals, die middelmatig van lengte is, moet in goede verhoudingen staan tot de lengte van de middenhand.

NB: In de Verenigde Staten van Amerika wordt op dit onderdeel langzamerhand steeds verder afgeweken van de oorspronkelijke rasstandaard. De dieren daar worden graag gezien met een lange, wat slankere hals. Hoewel op een aantal onderdelen de geiten in de VS op dit moment nog beter zijn ndan in ons land wordt in de Nederlandse rasstandaard toch op het onderdeel “kop en hals” nadrukkelijk het oorspronkelijke, Zuid Afrikaanse type gehanteerd.

Een dier met een te lange hals. Bovendien zien we de ruglijn graag wat sterker. 

Voorbeeld van een geit van het Amerikaanse, in Nederland (voor het onderdeel hals) als ongewenst beschouwde type. Tevens zien we bij dit dier dat de achterbenen te recht zijn, wat we niet veel aantreffen bij de boergeiten. Veeleer zijn de benen bij dit ras wat te krom. Wel zien we bij dit dier een bilbespiering van een kwaliteit die we in Nederland helaas nog niet tegenkomen.

Schoonheidsfouten:

  • Rechte of te platte hoorns, of te dicht bijeen;
  • Spitstoelopende kaken (puntbek);
  • Stijve naar voren of opzij staande oren of te korte oren;
  • Horizontaal omkrullende of gevouwen oorpunten.

Uitsluitingfouten:

  • Hol voorhoofd;
  • Snoekenbek of varkensbek;
  • Blauwe ogen;
  • Verticaal gevouwen oren.

Voorhand

De volle voorhand is goed bevleesd waarbij de overgang naar de voorbenen vloeiend is. De borst is ruim en diep. De vaste schouders zijn goed geproportioneerd en bevleesd en hebben een vloeiende overgang naar een brede, ronde (dus niet scherpe) schoft.

  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Breedte in de voorhand is van belang.

Schoonheidsfouten:

  • Weinig bevleesd;
  • Smalle borst of vooruitstekende borst;
  • Losse schouders;
  • Geen vloeiende overgang naar de schoft.

Middenhand

De middenhand is lang, breed en diep met lange ribben. De lende is lang, breed en goed bespierd. De bovenbouw is recht.

Schoonheidsfouten:

  • Korte, smalle of weke rug;
  • Korte, smalle of weinig bespierde lende.

Achterhand

Van voren naar achteren loopt de romp enigszins schuin af. De dijen zijn rond en goed bespierd. De basis van de staart zit in het midden en buigt veelal op naar één zijde.

Schoonheidsfouten:

  • Overbouwd (heupen hoger dan schoft);
  • Weinig bespierd.

Beenwerk

De sterke benen van gemiddelde lengte staan goed geplaatst en zijn in goede verhouding met de diepte van de middenhand. De sterke achterbenen hebben een rechte aslijn van het zitbeen door het spronggewricht en koot. De kootgewrichten zijn sterk en recht. De klauwen zijn zo donker mogelijk. Goede gang en stand.

 

 

 

 

 

 

 

Achterbenen zijn zeer krom (sabelbenig)

Schoonheidsfouten:

  • Benen te bevleesd of te dun.
  • Achterbenen te dicht bij elkaar
  • X-benen of O-benen;
  • Te steil in hak;
  • Te week in de koten;
  • Spreidstand klauwen.

Huid en beharing.

De huid moet los en soepel zijn, waarbij over de nek en borst huidplooien lopen, voornamelijk bij de bokken. De oogleden en andere onbehaarde plekken moeten gepigmenteerd zijn. Rond de anus moet de haarloze omgeving gepigmenteerd zijn, meer dan 75 % is wenselijk, 100% is ideaal. Kort, glad en glanzend haar is wenselijk. Een wat langere beharing tijdens de winter wordt getolereerd.

Schoonheidsfouten:

  • Te weinig gepigmenteerd op onbehaarde plekken;
  • Te grove of te lange beharing.
  • Rosse oogleden (niet volledig gepigmenteerd).

Productieorganen.

De geit heeft een goed gevormd, goed aangesloten uier met niet meer dan twee functionerende spenen per kant, één speen per kant is wenselijk. Ook een gespleten speen met twee openingen, waarbij minimaal 50% van de speen gespleten is, wordt toegestaan.

De bok heeft twee grote goed en gelijk gevormde testikels in één scrotum. De onderkant van het scrotum mag maximaal 2,5 cm gespleten zijn. De omtrek van het scrotum neemt toe met de leeftijd en kan variëren gedurende het seizoen. De bok mag niet meer dan 2 gescheiden tepels per kant hebben, wenselijk is 1 tepel per kant.

Uitsluitingfouten:

  • Meer dan 2 spenen (tepels) per kant.

Aftekening.

De ideale boergeit heeft rood haar op hoofd, hals en oren en (overwegend) wit haar op de rest van het lichaam (20% overkleurd is toegestaan) en heeft een volledig gepigmenteerde huid. Een duidelijke bles of kol is gewenst. De rode haarkleur kan variëren van licht tot donker rood of bruin. De meest gewenste plek voor de kleurovergang van rood naar wit is langs een denkbeeldige lijn van het punt vlak vóór de schouderbladen naar de voorborst. Minimaal is in het hoofd een vlek van minstens 40% op beide zijden van het hoofd vereist. In het ideale geval is minimaal 75% van de oren gekleurd en gepigmenteerd.

Schoonheidsfouten:

  • Te weinig kleur in het hoofd;
  • Te weinig kleur in de oren.

Geen reacties meer mogelijk.